Rasstandaard

Portugese Herdershond 

Oorsprong: Portugal  
Gehouden als: Gezins, waak en herdershond  
Grootte: Reuen 45-55 cm en teven 42-52 cm  
Gewicht: 17-27 kg  
Kleur: Zwart, grijs, geel en bruin  
Vachtsoort: De vacht is lang,ruw, glad en een beetje golvend zonder ondervacht  
Gem. Leeftijd: 12-13 Jaar  
     
 
 
  Korte geschiedenis van het ras:  
     
  De Cao da Serra de Aires, ook wel Portugese Schaapshonde genaamd lijkt erg veel  
  op de Pyrenese en Catalaanse herdershonden en het is bekend dat hij is gekruist  
  met de Franse Briard. het is een allround herders- en waakhond en hij is geschikt  
  voor zowel schapen als geiten als voor runderen, paarden en varkens.  
  Het ras komt het meest voor in het district Alentejo. Door zijn aapachtige hoofd  
  wordt hij door de bevolking aaphond genoemd. De Cao da Serra de Aires is erg  
  werkwillig en trouw, leert gemakkelijk en is levendig. Hij komt buiten het land  
  van herkomst nauwelijks voor.  
     
  Karakter:  
  Deze sobere en geharde honden hebben een enigszins onafhankelijke  
  aard en zijn zeer volhardend. De Cao da Serra de Aires staat verder  bekend  
  om zijn levendigheid, grote activiteit, intelligentie en werkwilligheid.  
  Deze honden zijn in doorsnee goed gehumeurd en zeer trouw aan het gezin  
  waar ze deel van uitmaken. Het gezin wordt als vanzelfsprekend bewaakt  
  en beschermd tegen kwaadwillende. Ze zijn graag buiten en zijn weinig  
  gevoelig voor weersinvloeden.  
     
  Sociale aanleg:  
  Deze herdershonden gaan redelijk goed om met andere honden. Mits goed  
  gesocialiseerd kunnen ze ook prima samen leven met andere huisdieren.  
  Ten opzichte van kinderen nemen ze een tolerante houding aan. In aanvang enigszins  
  terughoudend ten opzichte van onbekende mensen.  
     
  Rasstandaard:  
  De Cao da Serra de Aires is een nauwelijks middelgrote, langharige,  
  toegewijde  en levendige herdershond.  
  Hoofd: sterk, breed en van matige lengt. Tamelijk vlakke schedel,  
  uitgesproken achterhoofdknobbel, geprononceerde voorhoofdsgroef,  
  duidelijk uitgesproken stop, licht uitgesproken wenkbrauwboven.  
  Goed ontwikkelde voorsnuit met een rechte neusrug, droge en goed  
  gep[igmenteerde lippen, zwarte of donkere neusspiegel.  
     
  Ogen: middelgroot, rond en donker, met een levendige uitdrukking,  
  donker gepigmenteerde oogranden.  
     
  Oren: hoog aangezet, hangend, matig lang. Worden in het land  
  van herkomst soms gecoupeerd.  
     
  Gebit: tanggebit  
     
  Hals: matig lang, sterk en droog  
     
  Lichaam: diepe en ruime borstkas met goed gewelfde ribben. Rechte en  
  tamelijk lange rug, die helt vanaf de schoft tot aan de staartaanzet.  
  Brede, sterkt en licht gewelfde lendenen, brede en iets hellende  
  croupe, opgetrokken buiklijn.  
     
  Ledematen: goed gehoekte voor- en achterhand, goede botten,  
  rechte en evenwijdige voor- en achterbenen. Goed bespierde schouders,  
  benen en dijen. Sterke en tamelijk laaggeplaatste sprongen, die  
  loodrecht op de ondergrond staan.  
     
  Voeten: gerond, met goed gewelfde tenen en sterke voetzolen.  
  Donkere nagels.  
     
  Staart: hoog aangezet, reikt tot aan de sprongen, wordt in rust hangend  
  gedragen, in actie boogvormig. De punt is licht omhoog gebogen.  
     
  Gangwerk: vrij, wijd uitgrijpend en energiek.  
     
  Vacht: erg lang en glad of enigszins golvend. Hij moet een baard,  
  een snor en bossige wenkbrauwen hebben. De vacht mag de ogen  
  niet bedekken. Hij heeft geen onderhaar.  
     
  Kleur: verschillende tinten geel, kastanjebruin, grijs,  
  fawn of wolfsgrauw.